| Home |
![]() |
|
|
|
|
Rasstandaard |
|
|
|
|
History
|
Standard
|
|
|
Rasstandaard F.C.I. no.204 (26 mei 1982) van de Sabueso Español.
|
Algemeen uiterlijk en karakter. v Het is een middelgrote hond, goedgevormd en slank, met een
vrolijke kop en lange oren. Hij
heeft een compact beendergestel en stevige ledematen; fijn haar, glad en
liggend. De blik is zacht, droevig en edel. De hond is aanhankelijk en kalm en toont fraai. Echter bij de jacht op groot wild levert hij een ongewoon bewijs van moed en dapperheid. De schofthoogte. v Dit ras vertoont een uitgesproken geslachtstype dat zich uit
in verschillen van formaat tussen reuen en teven; deze laatste zijn
aanzienlijk kleiner en fijner. Reuen:
van 52 tot 57 cm.
Teven:
van 48 tot 53 cm. Bij
exemplaren met uitstekende verhoudingen is 1 cm. boven taille (schoft)
toegestaan. Uitwendige structuur en vorm (morphologie) v Hij heeft een slanke bouw. Zijn lengte is 7 tot 10 cm.
langer dan de schofthoogte. Het
hoofd. Algemene beschrijving. v Harmonieus, proportioneel
t.o.v. de rest van het lichaam en
lang. De verhouding schedel/snuit zal 5/5 zijn, wat wil zeggen van gelijke
lengte. De denkbeeldige lijnen vanaf de neus tot aan het oor zijn
uiteenlopend. Het bovenaanzicht van schedel en snuit moet verlengd zijn en
gelijkmatig. Dus geen puntige snuit. De schedel. v Van gemiddelde grootte, bij de reuen wat breder. Een bolle
doorsnede (bol profiel). De breedte van de schedel zal gelijk zijn aan de
lengte. In vooraangezicht moet hij bol zijn. De occiput (jachtknobbel) op
het achterhoofd is niet overdreven. De stop. v De stop is licht glooiend en weinig uitgesproken. De snuit. v De snuit heeft een rechtlijnig profiel met een lichte uitholling aan het achterdeel. Gezien van boven lijkt deze licht rechthoekig, versmallend naar de neus toe. De neus. v De neus is groot, vochtig met open neusgaten en zeer goed
ontwikkeld. De kleur varieert van helder kastanje tot diep zwart, altijd
in overeenstemming met de kleur van de lippen. De lippen. v De bovenste moeten de onderste bedekken; ze zijn loshangend
en overvloedig zonder overdaad. De onderste vormen duidelijk mondhoeken.
De lippen hebben dezelfde kleur als de neus. De tanden. v De tanden zijn wit en gezond. Goed ontwikkelde hoektanden,
al de premolaren zijn aanwezig. Het gebit is scharend. De ogen. v Middelgrote amandelvormige donkere ogen, hazelnootbruin, met
trieste blik, edel en intelligent. De oogleden. v Gepigmenteerd (gekleurd) zoals de neus en lippen,
aansluitend tegen de oogbol. In rusttoestand mogen ze enigszins
doorhangen. De oren. (behang) v Groot, lang, dun en hangend. Van soepele textuur met een
rechthoekige vorm en afgeronde punten. Aangezet
onder de ooglijn en vrij
hangend als ´kurkentrekkers´gedraaid.
Zonder dat er aan getrokken wordt, behoren de oren tot aan of voorbij de
neus te reiken. Een netwerk van aderen is goed zichtbaar aan de
oppervlakte van de huid. Hals. v De hals heeft de vorm van een afgeknotte kegel, groot krachtig, gespierd en soepel. Een dikke loshangende huid, die zonder overdrijven een duidelijke zwevende plooi vormt. De romp. Algemene beschrijving. v Gestrekt, sterk en robuust, met een aanzienlijke omvang van de borstkas, die met 1/3 de schofthoogte moet overtreffen: Schofthoogte 3, omvang borstkas 4. De voorborst. v Vooruitgestoken borstbeen en eenvoudig uitgetekend. De borst. v Zeer goed ontwikkeld, groot, diep en breed. Dieper reikend dan de ellebogen. Spits
toelopend naar het ontwikkelde borstbeen. De rug. v Krachtig, groot, neigend naar een vlak bekken. De hoogte van
het kruis moet gelijk zijn aan de schofthoogte of
kleiner. Rekening houdend met de tendens van dit ras om zich te
verheffen, wordt toegestaan dat het achterdeel iets hoger is. De bovenbelijning. v Recht met een lichte holheid van de rug en bolheid van de
soms zichtbaar opgetilde nier, karakteristiek voor dit ras, maar zonder
holle rug. De buiklijn. v De buik is lichtjes opgetrokken, de lijnen van de flanken
zijn erg goed zichtbaar en de flanken zelf zijn ruim. De staart. v De staart is dik aan de wortel en middelmatig hoog aangezet. Sterk en bedekt met kort haar, dat aan de punt een penseeltje vormt. In rust wordt hij lichtgebogen als een sabel gedragen vallend over de ‘sprong’; tijdens het werk en gaan richt de staart zich op zonder overdrijving maar met een voortdurende laterale heen en weer beweging. De staart wordt nooit recht of over de rug gedragen. De
voorste ledematen Algemene beschrijving, v Perfect in evenwicht, recht en parallel. Door de diepte van
de borstkas lijken de voorpoten kort te zijn. De spieren en pezen zijn
duidelijk zichtbaar. De lengte van
de voorpoten moet gelijk zijn aan de helft van de schofthoogte. De
botten zijn sterk, met een krachtige middenhand en ellebogen die goed
aansluiten tegen de borstkas. De schouders. v De schouders zijn schuin, afgerond, gespierd en met
een lengte gelijk aan die van de opperarm. De poten. v De poten zijn sterk, met de ellebogen goed aangedrukt tegen
de borstkas. De hoek tussen schouderblad en opperarm. v Deze hoek is gelijk aan 100° ( honderd graden ). De voorpoten. v De voorpoten zijn recht en goed in evenwicht, met een sterk
beendergestel. De hoek tussen het opperarmbeen en het
spaakbeen. v Deze hoek grenst aan de 120° (honderd twintig graden) Het scheenbeen (Canon). v Deze heeft een sterke botstructuur en is erg krachtig.
Vanuit het profiel gezien, een beetje scheef (nijgt soms naar hound-stand
). De voeten. v Een ronde kattenvoet met hoge kootjes. De nagels en eeltkussens zijn taai, de voeten zijn groot. De huid tussen de tenen is voorzien van fijne haartjes. De achterste ledematen
Algemene beschrijving. v Krachtig, gespierd en goed gehoekt met een correcte
loodrechte stand en knieën zonder afwijkingen, een lange middenvoet en
stevige voeten. De achterste ledematen bezorgen de kracht aan de hond,
maar ook de behendigheid en de stuwing voor het volgen van een spoor in
moeilijk terrein. De dijen. v Deze zijn sterk en gespierd. De hoek tussen heup en dijen. v Deze hoek is ongeveer 100° (honderd graden). De poten. v
De poten zijn sterk en gespierd. De hoek tussen dij en scheenbeen (tibia). v Deze is ongeveer 115° (honderd vijftien graden). De knieën. v Duidelijk getekend, met de pees goed zichtbaar.De hoek van de knieën is een open hoek, en benaderd de 120° (honderd twintig graden). De voeten. v
Katachtig, enigszins ovaal gevormd. Langer dan de
voorvoeten. Soms zijn Hubertusklauwen
aanwezig, die meestal enkelvoudig zijn en zelden dubbel. Amputatie
van Hubertusklauwen is toegestaan. De beweging
v De gewenste beweging is de draf, zonder de nijging tot
zijgang of telgang. De nadruk zal tijdens het gaan in het bijzonder
gevestigd worden op de ellebogen en de knieën vanwege de natuurlijke
neiging van dit ras, al snuffelend, met de kop naar beneden te lopen. De huid
v De huid is erg rekbaar, dik en met een roze kleur, los over
het gehele lichaam, en vormt, wanneer het hoofd omlaag wordt gehouden,
in de meeste gevallen rimpels op het voorhoofd. (deze frons geeft
de hond zijn rastypische droevige blik). De vacht
v De vacht is dicht, het haar is kort, fijn en liggend. (geen
onderwol). Het bedekt het gehele lichaam, zelfs de ruimte tussen de tenen. De kleurv De kleur is wit en oranje, met dominantie van de ene of de andere, en verspreid in onregelmatige goed afgebakende vlekken of platen, maar zonder stippels. De oranjeachtige kleur kan variëren van een meer heldere tint (citroen) tot een tint van donker rossig. (kastanje). Geheel witte exemplaren komen voor, geheel bruine(oranje) honden zijn zeer zeldzaam. (witte sokken en staartpunt zijn gewenst). -Uit praktische overwegingen wordt de witte staartpunt bij het werken in het veld zeer op prijs gesteld.- Gebreken
De lichte gebreken, (die de kwalificatie
‘uitmuntend’niet uitsluiten). v Het profiel van de snuit, gebogen zonder overmaat. Afwezigheid van enkele kiezen en een tanggebit. De oogleden hangend tot aan de punt waar het oogvlies zichtbaar wordt. Zwakheid in de lijn van de rug tot aan de lendenen en een golvende bij het lopen. Verhoging van de rug die, hoewel toegestaan, nooit overdreven mag zijn. Zware gebreken, (die de kwalificatie
‘uitmuntend’ kunnen uitsluiten). v Een te spitse of te platneuzige snuit. Afwezigheid van
hoektanden of premolaren, die niet te wijten zijn aan verwondingen. Een holle rug. De hoogte van het kruis die de schofthoogte te veel overschrijdt. Niet
correcte, zwakke of afwijkende evenwichten. Ellebogen die zijwaarts
uitsteken tijdens de gang of stilstand. Zijdelingse bewegingen van de
poten tijdens het gaan. Zware koehakkigheid. Een gegolfde, ruwe- of
halflange vacht. Gecoupeerde oren of staart. Entropion[1]
of Ectropion[2]. Een onevenwichtig karakter, overdreven schuwheid, zenuwachtigheid of agressiviteit. Te tenger. Onvoldoende omtrek van de borstkas. Een staart die te hoog gedragen wordt of tussen de poten tegen de buik wordt gedrukt. Te mager voor rastype. Gebreken (die verwijdering tot gevolg hebben,
tevens inhoudend de kwalificatie ongeschikt te zijn voor bevestiging van (ras-)
puurheid en biotype. v Een gespleten neus. Ruwe of lange vacht. Een lengte, die gelijk is of kleiner ten opzichte van de hoogte. Prognathisme[3] van elke graad. Een wollige vacht, die duidt op een kruising van rassen. Monorchidie[4]
en Crytorchidie[5]. Exemplaren met drie kleuren of zwarte vlekken op de snuit en de voorpoten. [1] Entropion is het naar binnen groeien van het ooglid tegen het hoornvlies. [2] Ectropion is het naar buiten groeien van het ooglid. [3] Prognathisme betekent dat de bovenkaak langer is dan de onderkaak.(voor- en bovenvoorbijten). [4] Monorchidie is het hebben van één teelbal in de balzak en één in de buikholte van de reu. [5] Cryptorchidie is dat beide teelballen van de reu zich bevinden in de buikholte.
Een tweede reden voor uitsluiting was het schimmelpatroon hetgeen in deze mate niet is gewenst.
Diskwalifikatie
|
|
History |
Standard |
||